Zie ook:
ImcNLZaakWildersRecht
Wetboek van Strafvordering
artikel:126m/n/u/t
Telcommunicatiewet artikel 13.4,
Wet bescherming persoonsgegevens artikel 8 en 43.
Ze staan hier allemaal onder
Artikel 126m
1. In geval van verdenking van een misdrijf als
omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn
aard of de samenhang met andere door de verdachte
begane misdrijven een ernstige inbreuk op de
rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie,
indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat
een opsporingsambtenaar telecommunicatie opneemt met
een technisch hulpmiddel.
2. Onder telecommunicatie wordt in dit artikel
verstaan niet voor het publiek bestemde communicatie
via een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met
gebruikmaking van openbare telecommunicatiediensten.
3. Het bevel tot het opnemen van telecommunicatie
is schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een
zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;
b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
c. het nummer waarmee de individuele gebruiker van
telecommunicatie wordt geïdentificeerd, alsmede, voor
zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker;
d. de geldigheidsduur van het bevel.
4. Indien bij de afgifte van het bevel, bedoeld in
het eerste lid, bekend is dat de gebruiker van het
nummer, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, zich op
het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt,
voor zover een verdrag dit voorschrijft en met
toepassing van dat verdrag, die andere staat van het
voornemen tot het opnemen van telecommunicatie in
kennis gesteld en de instemming van die staat
verworven voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.
5. Indien na aanvang van het opnemen van de
telecommunicatie op grond van een bevel als bedoeld in
het eerste lid bekend wordt dat de gebruiker zich op
het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt,
voor zover een verdrag dit voorschrijft en met
toepassing van dat verdrag, die andere staat van het
opnemen van telecommunicatie in kennis gesteld en de
instemming van die staat verworven.
6. De officier van justitie kan een bevel als
bedoeld in het eerste lid eveneens geven, indien het
bestaan van het bevel noodzakelijk is om een andere
staat te kunnen verzoeken telecommunicatie met een
technisch hulpmiddel op te nemen of telecommunicatie
af te tappen en rechtstreeks naar Nederland door te
geleiden ter fine van opname met een technisch
hulpmiddel in Nederland.
7. Artikel 126l, vierde tot en met achtste lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Dit artikel gaat over de mogelijkheid tot het
registreren van telecomgegevens van een VERDACHTE.
Indien er geen verdachte is kan dit hele verhaal
vergeten worden. Er is sprake van een verdachte als er
iemand aan te wijzen is die het misdrijf heeft
gepleegd (z’n naam is bekend of misschien is een
signalement genoeg). Er is nu geen verdachte. Als er
wel een verdachte zou zijn kan justitie hem ‘tappen’
daarvoor maakt het niet uit waar de indymedia site
gehost wordt oid.
Artikel 126n
1. In geval van verdenking van een misdrijf als
omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier
van justitie in het belang van het onderzoek een
vordering doen gegevens te verstrekken over een
gebruiker en het telecommunicatieverkeer met
betrekking tot die gebruiker. De vordering kan slechts
betrekking hebben op gegevens die bij algemene
maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens
betreffen die:
a. ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel
b. na het tijdstip van de vordering worden verwerkt.
2. Onder een gebruiker van telecommunicatie wordt
in dit artikel verstaan de natuurlijke persoon of
rechtspersoon die met de aanbieder een overeenkomst is
aangegaan met betrekking tot het gebruik van een
openbaar telecommunicatienetwerk of de levering van
een openbare telecommunicatiedienst, alsmede de
natuurlijke persoon of rechtspersoondie daadwerkelijk
gebruik maakt van een openbaar telecommunicatienetwerk
of een openbare telecommunicatiedienst.
3. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan
worden gericht tot iedere aanbieder van een openbaar
telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk iedere
aanbieder van een openbare telecommunicatiedienst.
Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
4. Indien de vordering gegevens betreft als bedoeld
in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt de
vordering gedaan voor een periode van ten hoogste drie
maanden.
5. De officier van justitie maakt van de vordering
proces-verbaal op, waarin hij vermeldt:
a. het misdrijf en, indien bekend, de naam of anders
een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de
verdachte;
b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin,
zijn vervuld;
c. indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig
mogelijke aanduiding van de persoon omtrent wie
gegevens worden gevorderd;
d. de gegevens die worden gevorderd;
e. indien de vordering gegevens betreft als bedoeld in
het eerste lid, tweede volzin, onder b, de periode
waarover de vordering zich uitstrekt.
6. Indien de vordering gegevens betreft als bedoeld
in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt de
vordering beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan
de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, eerste
volzin. Van een wijziging, aanvulling, verlenging of
beëindiging van de vordering maakt de officier van
justitie proces-verbaal op.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
wijze waarop de gegevens door de officier van justitie
worden gevorderd.
Ook dit stuk gaat over als er al een verdachte is,
volgens mij is die er niet. Dit artikel gaat wel deels
over de verplichte 3 maanden opslaan van de gegevens,
maar noemt dit niet expliciet dus als dit artikel een
keer relevant wordt voor ons denk ik dat er goed naar
moet worden gekeken of het ons ergens toe verplicht.
Artikel 126na
1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de
opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek
een vordering doen gegevens te verstrekken terzake van
naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort
dienst van een gebruiker van telecommunicatie. Artikel
126n, tweede en derde lid, is van toepassing.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn
voor de toepassing van artikel 126m of artikel 126n
kan de officier van justitie in het belang van het
onderzoek vorderen dat de aanbieder de gevorderde
gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.
3. In geval van een vordering als bedoeld in het
eerste of tweede lid is artikel 126n, vijfde lid,
onder a, b, c en d, van overeenkomstige toepassing en
blijft artikel 126bb buiten toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
wijze waarop de gegevens door de opsporingsambtenaar
of de officier van justitie worden gevorderd.
Dit artikel daarvoor geld het zelfde als voor het
vorige, nu niet belangrijk, misschien ooit wel.
Artikel 126nb
1. Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel
126m of artikel 126n kan de officier van justitie met
inachtneming van artikel 3.10, vierde lid, van de
Telecommunicatiewet bevelen dat met behulp van in dat
artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee de
gebruiker van telecommunicatie kan worden
geïdentificeerd, wordt verkregen.
2. Het bevel wordt gegeven aan een ambtenaar als
bedoeld in artikel 3.10, vierde lid, onder a, van de
Telecommunicatiewet en is schriftelijk.Bij dringende
noodzaak kan het bevel mondeling worden gegeven. In
dat geval stelt de officier van justitie het bevel
binnen drie dagen op schrift.
3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten
hoogste een week en vermeldt:
a. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat
voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van
artikel 126m of artikel 126n en
b. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding
van de gebruiker van telecommunicatie van wie het
nummer moet worden verkregen.
4. De officier van justitie doet te zijnen
overstaan de processen-verbaal of andere voorwerpen,
waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is
verkregen door toepassing van het eerste lid
vernietigen indien dat gegeven niet gebruikt wordt
voor de toepassing van artikel 126m of artikel 126n.
Ook hier hetzelfde verhaal, er is geen verdachte dus
dit artikel gaat niet op.
Artikel 126t
1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste
lid, kan de officier van justitie, indien het
onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een
opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel
telecommunicatie opneemt waaraan een persoon deelneemt
ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een
redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is
bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen
van misdrijven.
2. Onder telecommunicatie wordt in dit artikel
verstaan niet voor het publiek bestemde communicatie
via een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met
gebruikmaking van openbare telecommunicatiediensten.
3. Het bevel tot het opnemen van telecommunicatie
is schriftelijk en vermeldt:
a. een omschrijving van het georganiseerd verband;
b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
c. het nummer waarmee de individuele gebruiker van
telecommunicatie wordt geïdentificeerd, alsmede, voor
zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker;
d. de naam van de persoon, genoemd in het eerste lid,
wanneer deze niet de houder is, en
e. de geldigheidsduur van het bevel.
4. Indien bij de afgifte van het bevel, bedoeld in
het eerste lid, bekend is dat de gebruiker van het
nummer, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, zich op
het grondgebied van een andere staat bevindt, wordt,
voor zover een verdrag dit voorschrijft en met
toepassing van dat verdrag, die andere staat van het
voornemen tot het opnemen van telecommunicatie in
kennis gesteld en de instemming van die staat
verworven voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.
5. De officier van justitie kan een bevel als
bedoeld in het eerste lid eveneens geven, indien het
bestaan van het bevel noodzakelijk is om een andere
staat te kunnen verzoeken telecommunicatie met een
technisch hulpmiddel op te nemen of telecommunicatie
af te tappen en rechtstreeks naar Nederland door te
geleiden ter fine van opname met een technisch
hulpmiddel in Nederland.
6. Artikel 126s, vierde tot en met achtste lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Hiervoor geldt hetzelfde als voor artikel 126m
Artikel 126u
1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste
lid, kan de officier van justitie in het belang van
het onderzoek een vordering doen gegevens te
verstrekken over een gebruiker en het
telecommunicatieverkeer met betrekking tot die
gebruiker. De vordering kan slechts betrekking hebben
op gegevens die bij algemene maatregel van bestuur
zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die:
a. ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel
b. na het tijdstip van de vordering worden verwerkt.
2. Onder een gebruiker van telecommunicatie wordt
in dit artikel verstaan de natuurlijke persoon of
rechtspersoon die met de aanbieder een overeenkomst is
aangegaan met betrekking tot het gebruik van een
openbaar telecommunicatienetwerk of de levering van
een openbare telecommunicatiedienst, alsmede de
natuurlijke persoon of rechtspersoon die daadwerkelijk
gebruik maakt van een openbaar telecommunicatienetwerk
of een openbare telecommunicatiedienst.
3. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan
worden gericht tot iedere aanbieder van een openbaar
telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk iedere
aanbieder van een openbare telecommunicatiedienst.
Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
4. Indien de vordering gegevens betreft als bedoeld
in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt
vordering gedaan voor een periode van ten hoogste drie
maanden.
5. De officier van justitie maakt van de vordering
proces-verbaal op, waarin hij vermeldt:
a. een omschrijving van het georganiseerd verband;
b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de
voorwaarden,bedoeld in het eerste lid, eerste volzin,
zijn vervuld;
c. indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig
mogelijke aanduiding van de persoon omtrent wie
gegevens worden gevorderd;
d. de gegevens die worden gevorderd;
e. indien de vordering gegevens betreft als bedoeld in
het eerste lid, tweede volzin, onder b, de periode
waarover de vordering zich uitstrekt.
6. Indien de vordering gegevens betreft als bedoeld
in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt de
vordering beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan
de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, eerste
volzin. Van een wijziging, aanvulling, verlenging of
beëindiging van de vordering maakt de officier van
justitie proces-verbaal op.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
wijze waarop de gegevens door de officier van justitie
worden gevorderd.
Aangezien er geen idee is wie het misdrijf gepleegd
zou hebben is er ook niet van een georganiseerd
verband te spreken (eerste lid artikel 126o
StrafVordering?). Als er wel een georganiseerd verband
zou zijn moeten we iig de gegevens die we hebben
verstrekken, en die zouden we eventueel 3 maanden
moeten bewaren, maar dat volgt niet uit dit artikel.
Artikel 126ua
1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste
lid, kan de opsporingsambtenaar in het belang van het
onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken
terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer
en soort dienst van een gebruiker van
telecommunicatie. Artikel 126u, tweede en derde lid,
is van toepassing.
2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn
voor de toepassing van artikel 126t of artikel 126u,
kan de officier van justitie in het belang van het
onderzoek vorderen dat de aanbieder de gevorderde
gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.
3. In geval van een vordering als bedoeld in het
eerste of tweede lid is artikel 126u, vijfde lid,
onder a, b, c en d, van overeenkomstige toepassing en
blijft artikel 126bb buiten toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
wijze waarop de gegevens door de opsporingsambtenaar
of de officier van justitie worden gevorderd.
Het verhaal over georganiseerd verband is hier het
zelfde als het vorige artikel. ECHTER lid 2 van dit
artikel zou ons kunnen verplichten de gegevens die we
niet meer hebben te achterhalen. Ik weet de Algemene
Maatregel Van Bestuur hiervoor niet.
Artikel 126ub
Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel 126t
of artikel 126u kan de officier van justitie met
inachtneming van artikel 3.10, vierde lid, van de
Telecommunicatiewet bevelen dat met behulp van in dat
artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee een
gebruiker van telecommunicatie kan worden
geïdentificeerd, wordt verkregen. Artikel 126na,
tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Dit is een nadere bepaling over eerder besproken
artikelen waar we ons nu niets van aan hoefden te
trekken.
Artikel 126uc
1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste
lid, kan de opsporingsambtenaar in het belang van het
onderzoek van een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig
een financiële dienst verleent vorderen bepaalde
opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens van
een persoon te verstrekken.
2. Artikel 126nc, tweede tot en met vijfde en
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Van de verstrekking van identificerende gegevens
maakt de opsporingsambtenaar proces-verbaal op, waarin
hij vermeldt:
a. de gegevens, bedoeld in artikel 126nc, vierde lid;
b. de verstrekte gegevens;
c. een omschrijving van het georganiseerd verband;
d. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld.
Weer het georganiseerde verband waar geen sprake van
is.
Artikel 126ud
1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste
lid, kan de officier van justitie in het belang van
het onderzoek van een ieder die beroeps- of
bedrijfsmatig een financiële dienst verleent en van
wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang
heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens,
vorderen deze gegevens te verstrekken.
2. Artikel 126nd, tweede tot en met vierde en
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De officier van justitie doet van de
verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken,
waarin worden vermeld:
a. de gegevens, bedoeld in artikel 126nd, derde lid;
b. de verstrekte gegevens;
c. een omschrijving van het georganiseerd verband;
d. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
e. de reden waarom de gegevens in het belang van het
onderzoek worden gevorderd.
Weer het georganiseerde verband waar geen sprake van
is.
Artikel 126ue
1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste
lid, kan de officier van justitie in het belang van
het onderzoek bepalen dat de vordering, bedoeld in
artikel 126ud, eerste lid, betrekking kan hebben op
gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering
worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich
uitstrekt is maximaal vier weken. De officier van
justitie vermeldt deze periode in de vordering.
Artikel 126ud, tweede en derde lid, is van toepassing.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid
bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van
de vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt
voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 126ud,
eerste lid. Van een wijziging, aanvulling, verlenging
of beëindiging van de vordering maakt de officier van
justitie proces-verbaal op.
3. Indien het belang van het onderzoek dit dringend
vordert, kan de officier van justitie in een geval als
bedoeld in het eerste lid in de vordering bepalen dat
degene tot wie de vordering is gericht de gegevens
direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens
binnen een bepaalde periode na de verwerking
verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor
een voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn
vordering te verlenen door de rechter-commissaris.
Weer het georganiseerde verband waar geen sprake van
is.
Artikel 126uf
1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste
lid, kan de officier van justitie indien het belang
van het onderzoek dit dringend vordert, van een ieder
die beroeps- of bedrijfsmatig een financiële dienst
verleent en van wie redelijkerwijs kan worden vermoed
dat hij toegang heeft tot de gegevens, bedoeld in
artikel 126nd, tweede lid, derde volzin, deze gegevens
vorderen.
2. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan
niet worden gericht tot de verdachte. Artikel 96a,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan
slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke
machtiging, op vordering van de officier van justitie
te verlenen door de rechter-commissaris.
4. Artikel 126nd, derde, vierde en zevende lid, is
van overeenkomstige toepassing.
5. De officier van justitie doet van de
verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken,
waarin worden vermeld:
a. de gegevens, bedoeld in artikel 126nd, derde lid;
b. de verstrekte gegevens;
c. een omschrijving van het georganiseerd verband;
d. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de
voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
e. de reden waarom de gegevens in het belang van het
onderzoek worden gevorderd.
Weer het georganiseerde verband waar geen sprake van
is.
Telecommunicatie Wet
Artikel 13.4
1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken
en openbare telecommunicatiediensten voldoen aan een
vordering op grond van artikel 126na, eerste lid, of
126ua, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering
dan wel een verzoek op grond van artikel 29 van de Wet
op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot
het verstrekken van gegevens terzake van naam, adres,
postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een
gebruiker van een openbaar telecommunicatienetwerk dan
wel een openbare telecommunicatiedienst.
2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken
en openbare telecommunicatiediensten voldoen aan een
vordering op grond van artikel 126na, tweede lid, of
126ua, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering
dan wel een verzoek op grond van artikel 29 van de Wet
op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot
het op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
wijze achterhalen en verstrekken van de gegevens,
bedoeld in het eerste lid. Teneinde aan deze
verplichting te kunnen voldoen bewaren de aanbieders
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
gegevens voor een termijn van drie maanden nadat de
gegevens voor het eerst zijn verwerkt.
3. ...
Er zou tegen dit artikel mogelijk aan te voeren zijn
dat wij ip gegevens nooit verwerken. Ik weet niet of
dat werkelijk genoeg is om onder dit artikel uit te
komen.
Wet bescherming persoonsgegevens
Artikel 8
Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:
a. de betrokkene voor de verwerking zijn
ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;
b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de
uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene
partij is, of voor het nemen van precontractuele
maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de
betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten
van een overeenkomst;
c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een
wettelijke verplichting na te komen waaraan de
verantwoordelijke onderworpen is;
d. de gegevensverwerking noodzakelijk is ter
vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;
e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede
vervulling van een publiekrechtelijke taak door het
desbetreffende bestuursorgaan dan wel het
bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt,
of
f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de
behartiging van het gerechtvaardigde belang van de
verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens
worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele
rechten en vrijheden van de betrokkene, in het
bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, prevaleert.
Relevant is subkopje C dat bepaalt dat we gegevens
mogen verstrekken als we ze moeten verstrekken.
Artikel 43
De verantwoordelijke kan de artikelen 9, eerste lid,
30, derde lid, 33, 34 en 35 buiten toepassing laten
voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:
a. de veiligheid van de staat;
b. de voorkoming, opsporing en vervolging van
strafbare feiten;
c. gewichtige economische en financiële belangen van
de staat en andere openbare lichamen;
d. het toezicht op de naleving van wettelijke
voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de
belangen, bedoeld onder b en c, of
e. de bescherming van de betrokkene of van de rechten
en vrijheden van anderen.
Er is sprake van opsporing van een strafbaar feit dus
dit artikel is van toepassing.
Verder:
Artikel 3.10 telecommunicatiewet heeft met
communicatie in de ether te maken, en is dus niet
relevant.
to top